Het is 85 jaar geleden dat de Duitse bezetter hem uit de schoolbanken van de 2e HBS 5 in zijn geliefde Amsterdam haalde, hem een gele ster liet dragen en hem met andere uitgesloten kinderen, onder wie Anne Frank, naar het Joods Lyceum stuurde. Toch heeft Maurits van Witsen (98) uit Zeist nog altijd dezelfde olijke blik en optimistische kijk op de mens. “Het overkwam iedereen. We deden wat we moesten doen. Ik heb me nooit verraden gevoeld.”
Ontzettend raar vindt hij het dat juist hij zo oud is geworden. “Dat had ik ook niet verwacht,” zegt hij, met pretlichtjes in zijn ogen. Hij kijkt niet graag terug op sombere gebeurtenissen.
“Kijk, ik ben niet in een kamp terechtgekomen,” relativeert hij. “Ik ben er dus niet slecht van afgekomen. Een familielid van mij heeft vier jaar lang in een kamertje bij een wasserij ondergedoken gezeten. Als er mensen binnenkwamen, moest hij muisstil zijn.” Hij gruwt nog bij het idee. “Hij heeft het overleefd.”
Religie was geen issue
Hij had een heerlijke jeugd, in zijn ouderlijk huis aan het Harmoniehof in Amsterdam-Zuid. “Als jongetje van acht ving ik wel iets op van de akelige dingen die aan de hand waren. Daar spraken mijn ouders over. Maar dat was in Duitsland. Nederlanders dachten: het zal ons wel voorbijgaan. We waren een Joodse familie, maar niet praktiserend. We waren ons daar niet echt van bewust. We woonden in Amsterdam-Zuid en waren volledig geïntegreerd. Het was gewoon heel leuk: Amsterdammers genoten van de markt in onze wijk en de grapjes die mensen maakten. Het was gemoedelijk. Religie of afkomst was geen issue in het Amsterdam van toen,” herinnert hij zich.
Hij kijkt even peinzend naar zijn prunus, waarvan de roze bloesems uitbundig uitwaaieren over Van Witsens zonovergoten tuin in het Wilhelminaparkbuurt in Zeist. “Prachtig hè? Toen de Duitsers op 10 mei 1940 binnenvielen, was het ook zo prachtig weer. Ze probeerden ons kinderen er niet te veel bij te betrekken, maar het pessimisme was groot. Toch dacht men: dit is over een jaar afgelopen.”
Marcheren
Dat liep anders. Eerst maakten Nederlanders nog grapjes bij de aanblik van de nazisoldaten die door de straten marcheerden. “Ze konden goed zingen, zoals ‘We varen naar Engeland’. Liep er iemand achteraan die riep: ‘Nie meelôpe, hoâh! Dan ga je ôk verzuipûh!” vertelt Van Witsen met een komisch Haags accent.
“Ik weet nog hoe consciëntieus mijn moeder dat gele stukje textiel op onze jassen naaide”
Langzaam slopen de beperkingen het leven van de familie en andere Joodse Nederlanders in. “We volgden alles keurig netjes op. Die Jodenster vond ik nog het vervelendst. Ik weet nog hoe consciëntieus mijn moeder dat gele stukje textiel op onze jassen naaide, met kleine, precieze steekjes. Een familielid deed dat veel slimmer: vier grote steken. Dan kon je die ster zo van je jas trekken als dat moest. Dat heeft zijn leven gered.”
Nederland had natuurlijk een keurige administratie. “De Joodse gemeente had eigenlijk meteen alle papieren moeten verbranden. Nederland was zich van geen kwaad bewust. Een andere familie, van Joop Goudsmit, had opgegeven dat zijn kinderen half-Joods waren. Dat heeft hen even respijt gegeven. Joop Goudsmit leeft ook nog, hij is 101.”
Voor Joden verboden
Maar al gauw werd de bewegingsvrijheid van Joodse Nederlanders ingeperkt. “Ik zie de bordjes nog voor me: ‘Voor Joden verboden’. Toen werd het gemeen.” Ook de scholen werden verboden terrein. Ook voor het vrolijke jongetje Maurits, dat vanaf de eerste klas al schoolkrantjes maakte. En toch heeft de aarts optimist ook aan dat droevige moment goede herinneringen.
“Ik zie de bordjes nog voor me: ‘Voor Joden verboden’. Toen werd het gemeen.”
Halverwege augustus 1941 ontvingen ouders van Joodse leerlingen een brief van het Amsterdamse stadhuis: per 1 september waren hun kinderen niet langer welkom op de reguliere scholen. Angstig, maar Maurits herinnert het zich niet zo. “Ik zag veel dingen als een avontuur.”

Kamp Amersfoort
Hij benadrukt graag de positieve kanten: “De directeur van het Amsterdams Lyceum heeft geweldig lang standgehouden. Hij heeft uitvoerig afscheid genomen van de Joodse leerlingen en ons tot 1 oktober op school gehouden. Dat heeft hij moeten bekopen met detentie in Kamp Amersfoort. En we hadden buren die ons niet hebben laten vallen. We hebben ons geen moment geïsoleerd gevoeld.”
Hij wil maar zeggen: “Natuurlijk is het geweldig als je in het verzet zit. Maar het levert soms zo weinig op. De vijand heeft de macht; hij hoeft maar twee mensen neer te schieten en je bent terug bij af. Je moet het voorkomen,” benadrukt hij. “Red vooral jezelf.”
De leerlingen van het Joods Lyceum aan de Voormalige Stadstimmertuin spraken niet over de oorlog of het Joods zijn. Ondanks dat er steeds meer lege stoelen in de klassen waren vanwege de massale deportaties, waaronder die van de ondergedoken Anne Frank – een medeleerling die Maurits overigens niet heeft gekend. “We hoopten dat de verdwenen leerlingen ondergedoken waren. We wisten wel van gedwongen arbeid, maar hadden geen idee van de verschrikkingen in de kampen.”

Rustpunt
De leraren deden hun best om het als een normale school te laten functioneren, herinnert Van Witsen zich. “Dat wilden we ook. We deden aan muziek en sport en kregen gewone lessen. Zo zie je dat het hielp als je beter gesitueerd was en de juiste mensen kende. Want van die leerlingen heeft de helft het gered, en van de leraren zelfs twee derde,” vertelt hij. “Het Joods Lyceum was een gek rustpunt. We mochten niet meer met de tram en hadden geen fiets meer, dus je moest elke dag een heel eind lopen.”
Vader Van Witsen negeerde lang de waarschuwingen van familie in België. “Mijn neef zei: jullie moeten hierheen komen, het gaat mis daar. Op een gegeven moment hebben we met zijn hulp onze vlucht voorbereid. Tot het laatste moment was niet duidelijk of mijn vader mee zou gaan; hij wilde zo graag geloven dat het goed zou komen. En hij wilde netjes zijn. De angst dat we zouden worden opgepakt, was groot.”
Zonder ster
Van Witsen herinnert zich vooral hoe fantastisch hij het vond dat hij die dag – Hemelvaartdag 1943 – weer in de tram stapte. “Zonder ster, heerlijk. Ik vond het afschuwelijk om daarmee te lopen.” Een spannende tocht volgde. Bij station Tilburg stond een koets met paarden klaar om het gezin – Maurits had een oudere zus en een jongere zus die helaas niet meer leven – over de grens naar Brussel te brengen. Zijn vaders werkgever – de Zaanse essencefabriek Polak & Schwarz – had hen geholpen.
“Zonder ster, heerlijk. Ik vond het afschuwelijk om met een ster op te lopen.”
Daar lukte het om min of meer weer ‘normaal’ te leven. “Mijn ouders hadden doodsangst. Maar ik ging zelfs met de door mij zo geliefde trein het land door.” Tot het moment dat Maurits en zijn vader ieder een eigen richting op gingen naar de winkel, waar alles schaars was. Zo konden ze twee keer levensmiddelen kopen. “Ik ging rechts de hoek om, mijn vader links, een razzia in. Ik heb hem nooit meer teruggezien. Hij is meteen afgevoerd en in een concentratiekamp omgekomen.”
Spullen terug
Een trauma voor het gezin, dat na de oorlog toch snel terug kon keren naar het leven in Amsterdam. “De firma waar mijn vader werkte heeft ons meteen na de oorlog opgevangen. We konden terug naar Amsterdam en naar onze woning. Dankzij een slimme interventie van een kennis, die relaties bij het verzet had, kregen we onze meubels terug. Met een namaakversie van het NSB-verhuisbedrijf dat huizen van Joden leeghaalde, hadden ze onze spullen veiliggesteld.”
Wat hij wil meegeven? “Dat je open moet staan voor elkaar. Het is vreselijk als je als bevolkingsgroep wordt geïsoleerd, een stempel krijgt. De wereld stikt van de gemene programma’s, zoals die van de nazi’s. Ik heb enorm geboft. In mijn leven heb ik altijd veel vriendschap ondervonden. Ook na de oorlog ben ik direct weer naar het Vossius gegaan en ben ik opnieuw een schoolkrant begonnen. Wees jezelf, sluit vriendschap en benadruk niet te veel dat je anders bent. Het gaat erom dat iemand je waardeert om wie je bent.”
Bofkont
Hij vindt het vermakelijk en ook wat ongemakkelijk dat hij nu, 98 jaar oud, ineens in een landelijke talkshow zit als oorlogsoverlevende, omdat hij zichzelf als een ‘bofkont’ ziet. “Ik heb van mijn liefhebberij mijn werk kunnen maken en heb een prachtige positie bij de spoorwegen bereikt. Nog steeds zie ik mijn collega’s van toen. Ook heb ik altijd genoten van muziek maken. Ik ben hoorn gaan spelen, een prachtig instrument.”
“Het slachtofferschap moet ook weer geen kroon krijgen”
Van Witsen gaat voor naar de woonkamer, met een kast vol treinboeken en foto’s van zijn muzikale momenten. Mooie herinneringen verdringen de nare. “Ik wil best meedoen aan herdenkingen als het mensen helpt. Die schrijver, Arnon Grunberg, zat ook bij die talkshow onder leiding van Hanneke Groenteman. Grunberg zei iets dat me uit het hart gegrepen is: het slachtofferschap moet ook weer geen kroon krijgen.”
Expositie ‘Wie is er weg?’ en ‘Lege stoelen in de klas’
De klassenfoto van Maurits van Witsen is het icoon van de gratis tentoonstelling Lege stoelen in de klas – Gedwongen naar het Joods Lyceum (1941–1943), een gezamenlijk project van vijf Amsterdamse middelbare scholen. Samen met een expositie in het Stadsarchief Amsterdam is het gebaseerd op het onderzoek van Cees Koole, geschiedenisdocent aan het Spinoza Lyceum (toen: 2e HBS 5, de school van Maurits van Witsen). Hij vindt stukken over de dramatische geschiedenis van het gedwongen vertrek van Joodse kinderen naar het Joods Lyceum in de Tweede Wereldoorlog bij de bouwcontainer naast zijn school.
In het Anne Frank Huis is tot en met 31 mei de tentoonstelling Wie is er weg? – Het Joods Lyceum 1941–1943 te zien. De expositie volgt de school met Joodse leerlingen en docenten tijdens zijn korte bestaan.
Meer verhalen in de serie ‘Herdenken’ op onze website: Herdenken: De vliegenier van Werkhoven (video)